Jacobs, Bas (2026), ''Een Vermogenswinstbelasting Kost Miljarden en Geeft Welvaartsverlies'', Economisch Statistische Berichten, forthcoming.
Samenvatting: In tegenstelling tot een vermogensaanwasbelasting (vab), geeft een vermogenswinstbelasting (vwb) beleggers in aandelen en onroerend goed een fiscaal voordeel door winstneming te kunnen uitstellen. Dat voordeel wordt groter naarmate winstneming langer wordt uitgesteld en koerswinsten belangrijker zijn in het totale rendement. De structurele belastingopbrengst van een volledige vab, een volledige vwb en het wetsvoorstel in box 3 is hetzelfde en bedraagt circa 9,8 miljard euro. Elk stelsel levert structureel circa 2 miljard euro meer belasting op dan het huidige, forfaitaire stelsel (7,8 miljard). Het verschil tussen verschillende stelsels zit in het transitiepad: de vwb-varianten leiden tot een cumulatieve opbrengstderving van 12 tot 14 miljard euro gedurende de eerste tien jaar zonder gedragseffecten. Deze raming is erg gevoelig voor de veronderstelde houdperioden. Bij een verdubbeling van de houdperioden neemt de opbrengstderving toe naar 24-30 miljard euro. Claims dat de vermogensopbouw onder een vab lager zou zijn dan onder een vwb door 'rente-op-rente-effecten' zijn onjuist en daarmee misleidend. Daarnaast leidt een vwb tot volledig vermijdbare welvaartsverliezen in portefeuillekeuzes vanwege de fiscale bevoordeling van aandelen en onroerend goed boven spaartegoeden en obligaties. Alle overwegingen - doelmatigheid, vermogensopbouw en welvaart - wijzen dus eensluidend op de superioriteit van een vab over een vwb.
Dool, Ruud van den, Aart Gerritsen en Jacobs, Bas (2026), ''Vermogensaanwasbelasting is de Juiste Oplossing voor Box 3'', Economisch Statistische Berichten, forthcoming.
Samenvatting: Het kabinet moet doorgaan op de nu ingeslagen weg met een vermogensaanwasbelasting (vab) - waar ook de Tweede Kamer al haar fiat aan gaf. Een vermogenswinstbelasting (vwb) leidt tot ongewenste gedragseffecten, horizontale en verticale ongelijkheid, en grotere welvaartsverliezen. Een vab kent deze nadelen niet. Daarnaast is een vermogensaanwasbelasting juridisch wel degelijk houdbaar en leidt het niet tot minder vermogensopbouw. Het wetsvoorstel kan op een aantal onderdelen worden verbeterd, bijvoorbeeld bij de verliesverrekening. Cruciaal is dat de verschillen tussen de belastingboxen worden beperkt door maatregelen die het blokkeringseffect verkleinen of elimineren, zoals een vermogenswinstvoorheffing in box 2 en een retrospectieve vermogenswinstbelasting op vastgoed in box 3.
Jacobs, Bas (2026), ''Het Belastingvoordeel van Uitstel van Winstrealisatie bij een Vermogenswinstbelasting en de Budgettaire Gevolgen van Belastingen op Vermogensaanwas en Vermogenswinst'', working paper, Vrije Universiteit Amsterdam, 16 mei 2026.
Samenvatting: Dit artikel kwantificeert het belastingvoordeel van uitstel van winstrealisatie onder een vermogenswinstbelasting ten opzichte van een vermogensaanwasbelasting, en raamt de budgettaire effecten van verschillende stelsels voor box 3. Op basis van het model van Auerbach (1991) wordt aangetoond dat een vermogenswinstbelasting een lager effectief tarief oplevert dan een vermogensaanwasbelasting met hetzelfde statutaire tarief. Het effectieve tarief op de index van MSCI-aandelen daalt bij een houdperiode van 20 jaar van 36 naar 21,2 procent. Een cohortmodel wordt gebruikt om de ex ante structurele opbrengsten en transitie-effecten te ramen. In de steady state leveren een vermogensaanwasbelasting, een vermogenswinstbelasting en het wetsvoorstel allemaal circa 9,8 mld euro per jaar op, tegenover 7,8 mld in het huidige forfaitaire stelsel (zonder tegenbewijsregeling, bij een gelijkblijvend heffingsvrij vermogen). Een vermogenswinstbelasting genereert echter een cumulatieve ex ante transitie-derving van circa 14 mld euro over 10 jaar; voor het wetsvoorstel is dit 12 mld. Deze transitiedervingen zijn ex ante en zeer gevoelig voor uitsteleffecten. Als de houdperioden voor aandelen en onroerend goed niet 2 en 10 jaar, maar 4 en 20 jaar zijn, zullen de transitiedervingen oplopen tot 24 mld euro voor het wetsvoorstel en 30 mld euro voor een volledige vermogenswinstbelasting. Een retrospectieve vermogenswinstbelasting op onroerend goed neutraliseert het uitstelvoordeel en reduceert de ex ante derving in het wetsvoorstel tot 7,5 mld (18 mld bij lange houdperioden). De ramingen zijn gevoelig voor aannames over houdperioden en gedragsreacties.
Jacobs, Bas (2026), ''Does a Realization-Based Capital Gains Tax Lead to More Wealth Accumulation than an Accrual-based Capital Gains Tax?'', working paper, Vrije Universiteit Amsterdam, 16 mei 2026.
Abstract: Does a realisation-based capital gains tax lead to more wealth accumulation than an accrual-based capital gains tax? This paper finds that wealth accumulation remains the same under both systems as long as tax revenue does not change in each path of realized asset returns and behavioral responses are absent. However, differential taxes on safe and risky assets have an ambiguous effect on risk-taking and consumption choices. Risk-taking increases due to the standard substitution effect as risky assets are taxed at lower rates under realisation-based capital gains taxation, which yields more wealth accumulation. In addition, taxes on risky assets under realisation-based tax systems are uncertain. Taxes on risky assets may hedge against investment risk (under low risk aversion), or exacerbate investment risk (under high risk aversion). In the former (latter) case risk-taking increases further (increases less or even decreases). Consumption profiles may change as well in response to changes in portfolio returns due to tax reforms, but quantitatively these effects are found to be minor. The net effect of all behavioral effects on wealth accumulation is found to be quantitatively small. With sufficient risk aversion, wealth accumulation may even decline under a realisation-based capital gains tax. A realisation-based capital gains tax always generates welfare losses compared to an accrual-based capital gains tax, because it generates portfolio distortions, which are absent under accrual-based capital gains taxation. These distortions are substantial and can reduce lifetime consumption by percentage points.
Jacobs, Bas (2026), Position Paper Wet Werkelijk Rendement Box 3, Expert meeting 'Taxation, law, and government' with respect to the Real Return Act Box 3, May 19, 2026.
See video with the hearing.Samenvatting: Voer de Wet werkelijk rendement box 3 door en handhaaf de vermogensaanwasbelasting als hoofdregel. Een vermogensaanwasbelasting is beter dan een vermogenswinstbelasting in termen van doelmatigheid, rechtvaardigheid, rechtsgelijkheid, vermogensopbouw en portefeuillekeuzes, belastingopbrengst en uitvoerbaarheid. Een vermogenswinstbelasting verlaagt de belastingdruk op mensen met meer vermogen, discrimineert spaarders en obligatiebeleggers, discrimineert aandelenbeleggers die in dividendaandelen beleggen en vermogensbezitters die vermogen korter aanhouden. Een vermogenswinstbelasting leidt tot kwantitatief aanzienlijke verstoringen van het beleggingsgedrag. Een vermogensaanwas- en vermogenswinstbelasting leveren beide structureel ongeveer 10 miljard euro op, maar een vermogenswinstbelasting geeft ex ante -- zonder gedragseffecten -- 12-14 miljard euro aan belastingderving in de transitie. Als beleggers winstneming sterk gaan uitstellen dan kan het transitieverlies oplopen tot een meervoud daarvan. Een vermogenswinstbelasting leidt ook tot grotere uitvoeringsproblemen. Verbeter het wetsvoorstel met achterwaartse verliesverrekening, een retrospectieve vermogenswinstbelasting op vastgoed, en flankerend beleid in box 2 om belastingarbitrage te voorkomen. Een finale voorheffing in box 3 kan de uitvoeringslast enorm beperken. Voer niet overal een vermogenswinstbelasting in en zeker geen vermogensbelasting.
Jacobs, Bas (2026), ''Geeft een Vermogenswinstbelasting Grotere Belastingopbrengsten dan Een Vermogensaanwasbelasting? Nee'', Vrije Universiteit Amsterdam, 21 januari, 2026.
Samenvatting: Deze notitie analyseert de claim van VVD, CDA, ChristenUnie, BBB en SGP dat de vermogenswinstbelasting op de lange termijn meer opbrengsten genereert dan een vermogensaanwasbelasting. Deze claim is gebaseerd op een niet-openbare notitie van VNO-NCW. Zij beweren namelijk dat de vermogenswinstbelasting een 'rente-op-rente-effect' zou sorteren als niet-belaste winst belegd blijft in de economie. Deze notitie laat zien dat een vermogenswinstbelasting helemaal niet meer belastingopbrengsten zou opleveren dan een vermogensaanwasbelasting. Het is omgekeerd; een vermogensaanwasbelasting zal altijd meer opbrengst opleveren. De reden is eenvoudig. Een vermogenswinstbelasting belast het rendement op ongerealiseerde waardestijging niet, terwijl een vermogensaanwasbelasting dat wel doet. Dit is de reden waarom beleggers en fiscaal voordeel genieten als ze winstrealisatie uitstellen. Daarom ontstaat ook het blokkeringseffect bij een vermogenswinstbelasting en dat effect is afwezig bij een vermogensaanwasbelasting. Het fiscale voordeel voor de belegger is natuurlijk een fiscaal nadeel voor de overheid; deze derft inkomsten. De opbrengst van een vermogenswinstbelasting is daarom lager dan die van een vermogensaanwasbelasting. De conclusie is daarom dat de claim van sommige politieke partijen en VNO-NCW op drijfzand is gebaseerd.